Tijdens de Eerste Wereldoorlog verruilt Marie Curie samen met haar 17-jarige dochter Irène het laboratorium voor het front. Met een mobiele röntgenwagen helpen ze in Veurne gewonde soldaten door kogels en scherven op te sporen. Aanvankelijk worden ze met scepsis bekeken, maar al snel wordt duidelijk dat hun werk levens redt. Tussen hun inzet klinkt ook het verdriet om Pierre Curie, echtgenoot en vader.